Het was een heldere morgen en de zon omgaf de dag met een gouden randje. De frisheid van de koele zomer beroerde mijn zintuigen. Met ingehouden adem bleef ik bovenaan de lange trap staan. Fluitend liet ik mijn adem tussen mijn lippen ontsnappen. Ik begon de trap af te dalen, mijn voeten zorgvuldig op de ongelijke treden plaatsend. Steeds sneller raakten mijn voeten de houten balken. Toen ik bijna beneden was, zag ik in de kuil een soort laaghangende mist, die van bovenaf niet te zien was geweest. Ik stond inmiddels stil en draaide me om. De lucht boven de trap trilde als op een warme zomerdag. Naar boven toe vervaagden de houten balken en de bosrand was niet meer zichtbaar. Een plaatselijke vervorming van het ruimte-tijd continuüm.

Aarzelend liep ik de trap af de kuil in. De mist kwam tot mijn knieën. Een zacht geroffel klonk uit de verte, en uit het niets doemden de ruiters op. De zwarte oogkleppen hielden de paarden op koers. De ruiters hadden harnassen om en een enkele droeg een maliënkolder. Voor hen uit rende een man voor zijn leven. Zijn blonde haar lag plat op zijn hoofd en zijn spijkerbroek was duidelijk uit een andere tijd dan de kleding van de ruiters.

Één van de ruiters pakte een lange zweep. Het leer krulde zich om de nek van de man en hij viel plat op zijn rug. Triomfantelijk grepen de mannen hem beet en hesen hem op een paard. Nieuwsgierig liep ik het groepje achterna naar een soort kooi. De man stond met zijn handen om de tralies. Zoals ik verwacht had sprak hij 21e-eeuws.

“Wat heb je gedaan?”, vroeg ik hem.
“Ik heb ze geholpen”, zei de man.
“Ik heb ze gezegd dat Friezen, Hollanders en andere bevolkingsgroepen het graafschap Gelre moeten verlaten. Dat wou ik even regelen”.
“En wat is je straf dan?”
De man haalde zijn schouders op.
“Ze hebben gezegd dat ik hier nooit meer uitkom”, zei hij berustend.

De mist trok op en het beeld van de kooi begon te vervagen. Snel liep ik naar de trap, die weer zichtbaar begon te worden. Bovenaan de trap begon ik te rennen en ik hield niet meer op tot ik thuis was. Ik pakte een glas water en zette mijn t.v. aan. Er was een extra nieuwsuitzending.

“Sinds vanmorgen is één van onze politici spoorloos verdwenen”, zei de nieuwslezer.
“En hij komt nooooit meer terug”, mompelde ik zachtjes.

Fluitend zette ik de t.v. uit.

Jeroen van Werkhoven

Uw commentaar verschijnt niet automatisch, maar wordt beoordeeld door de redactie…