Het haar

9 apr, 2018 | Overig, Theo Kleeven | 0 Reacties

Het “haar” en de”haren” zijn de gehele geschiedenis door, vanaf de oertijd tot op het heden, onlosmakelijk met mens en dier verbonden geweest. Ze zijn het beste zichtbaar bij het zoogdier en de mens en in mindere mate bij reptielen, amfibieën en insecten. De vogels hebben veren.

De mens is namelijk – als afstammeling van de aap – ook in zekere zin een zoogdier. Ieder mens is vanaf zijn geboorte min of meer met dit lichaamsdeel opgegroeid, niet alleen op het hoofd, maar ook in de nek, op de buik, op de rug, op de benen, op de voeten, op de  handen, kortom op het hele lichaam. Zonder de haren geen levend wezen en zonder levend wezen geen haren.

Als wezenlijk bestanddeel van het menselijk lichaam zijn het “haar” en de “haren” daarom ook terug te vinden in allerlei spreekwoorden en uitdrukkingen om er gevoelens, begrippen en levenswijsheden mee aan te duiden.

Sprekende voorbeelden:

-Een  narrow escape: “Dat scheelde maar een haartje.”

-Tegenzin: “Hij vindt een haar in het werk.”

-Bagatelliseren: “Hij zoekt een haar in de boter.”

-Roekeloosheid: “Hij is zijn wilde haren nog niet kwijt.”

-Domheid: “Hij weet van hot noch haar.”

-Vergezocht: “Dat is er met de haren bijgevoerd.”

-Schaamte: “Hij wordt rood in het haar.”

-Verdriet: “Ergens grijze haren van krijgen.”

-Gierigheid: “Van geven valt zijn haar uit.”

-Radeloosheid: “Met de handen in het haar zitten.”

-Ruzie: “Iemand in de haren zitten.”

-Schrik: “Zijn haren rezen te berde.”

-Stemming: “Zijn haar staat kroes.”

-Gericht op resultaat: “Alles op haren en snaren zetten.”

-Opbouw: “Veel haartjes maken een borstel.”

Zo kan je nog tal van voorbeelden aanvoeren. Kortom: De haren staan niet alleen voor “lichaamsdeel” maar ook voor “levenswijsheid.”

Theo Kleeven

Uw commentaar verschijnt niet automatisch, maar wordt beoordeeld door de redactie…